Het V4-model in het zwemmen: waarom lactaat het wint van hartslag bij het bepalen van trainingstempo's
2026-07-03
Een 8×200 m, maar aan welk tempo voor Hugo? Elke trainer stelt zich die vraag bij het voorbereiden van de volgende training. Te snel, en de set wordt verkapte sprint die geen uithouding opbouwt. Te traag, en de zwemmer komt nooit over de drempel die het lichaam dwingt zich aan te passen.
De meest gebruikte oplossing: tempo's schatten als percentage van de maximale hartslag. Het kost niets en staat in enkele minuten op punt. Het probleem is dat die aanpak de echte fysiologische verschillen tussen zwemmers uitvlakt, en die tussen zwemmen en andere sporten.
Wat het V4-model echt meet
Het V4-model komt uit het werk van dr. Jan Olbrecht, fysioloog en biomechanicus van opleiding. Hij adviseerde zwemmers die samen meer dan 600 olympische, wereld-, Europese en Commonwealth-medailles binnenhaalden, en zijn boek The Science of Winning is nog altijd een standaardwerk voor wie wil begrijpen hoe zwemtraining opgebouwd hoort te zijn.
De kerngedachte: V4 is de zwemsnelheid waarbij het bloedlactaat 4 mmol/L bereikt, een veelgebruikte marker om uithouding te beoordelen en trainingstempo's te bepalen. Hoe meer lactaat een zwemmer produceert bij een bepaald tempo, hoe meer dat tempo op het anaerobe energiesysteem steunt. V4 markeert grofweg het punt waarboven de inspanning steeds moeilijker vol te houden wordt.
Daar is geen labo voor nodig, anders dan je zou verwachten. Een test op twee snelheden volstaat in de meeste gevallen: de zwemmer zwemt twee herhalingen aan verschillende snelheden, en de lactaat-snelheidscurve die daaruit volgt, legt V4 vrij precies vast, samen met de zones errond.
Waarom hartslag alleen tekortschiet
Hartslag blijft nuttig, maar heeft twee echte beperkingen voor een zwemtrainer.
Ten eerste gedraagt hij zich anders in het water. De horizontale lichaamshouding, de onderdompeling en de beperkte ademhaling veranderen de hartslagrespons in vergelijking met lopen of fietsen. Een zone die uit een landmodel komt, klopt niet automatisch met wat een zwemmer in het bad echt ervaart.
Ten tweede zegt hartslag niets over waar de energie vandaan komt. Twee zwemmers kunnen exact dezelfde hartslag hebben bij een bepaald tempo en toch heel verschillende hoeveelheden lactaat produceren: de ene put nog vooral uit het aerobe systeem, de andere is al overgeschakeld op het anaerobe. Hartslag vangt dat verschil niet op. Lactaat wel.
Dat betekent niet dat hartslag of gevoel overboord moeten. Het V4-model vult ze aan, met een fysiologische marker die eigen is aan elke zwemmer in plaats van een schatting die voor iedereen dezelfde is.
Wat dit concreet verandert aan een training
Zodra de V4 van een zwemmer bekend is, kunnen de trainingszones errond (basisuithouding, drempel, VO2max, snelheid) worden afgeleid als percentage van die referentiesnelheid. Dat betekent precieze doortijden voor elk blok van een training, op maat van die ene zwemmer in plaats van de groep als geheel.
Dat is precies wat SwimConsult automatisch berekent: de trainer schrijft de set in gewone taal (afstand, slag, zone), en elke zwemmer krijgt zijn doeltijd en sendoff, herberekend vanuit zijn eigen V4-profiel. Geen rekenblad meer dat je voor elke zwemmer van de groep met de hand moet bijhouden. Benieuwd hoe die aanpak zich verhoudt tot papier, Excel of WhatsApp? Dat zetten we op een rij in onze eerlijke vergelijking voor zwemtrainers.
In de praktijk
Een V4-test herhaal je niet elke training, eerder een paar keer per seizoen, vóór de grote voorbereidingsblokken. Zwemmers evolueren aan verschillende snelheden, dus hetzelfde percentage van V4 kan voor twee zwemmers uit dezelfde groep heel verschillende doortijden opleveren. Dat is normaal, en het is net waar de methode om draait. De keerzijde: je hebt een test per zwemmer nodig, geen schatting voor de hele groep. Geen lactaatmeter in de club? Met de 30 minuten-veldtest bepaal je met enkel een stopwatch al een betrouwbaar referentietempo.
Bronnen
Olbrecht, J., The Science of Winning (het historische referentiewerk voor het V4-model)
Validating Physiological and Biomechanical Parameters during Intermittent Swimming at Speed Corresponding to Lactate Concentration of 4 mmol·L⁻¹, PMC-studie (NCBI)
lactate.com, bronnen en animaties over het model van Olbrecht (aeroob/anaeroob)
Scientific Triathlon, aflevering over Jan Olbrecht (biografische context)